Maniërisme (ca. 1520 - 1600)

 

Is de naam voor veel kunst die gemaakt werd in de periode die volgde op de ‘hoge renaissance’, en die voorafgaat aan de barok. De naam ‘Maniera’ is wat negatief bedoeld, het betekent ‘Maniertje’, als in ‘kunstje’ of ‘trucje’. Toch is er in deze tijd weer veel meer waarde- ring voor deze kunst. Het is niet een erg eenduidige stijl, als het al een stijl te noemen is, maar tegenwoordig wordt er ongeveer het volgende mee bedoeld:

Stel je voor dat je kunstenaar bent in een periode NA grote reuzen als Michelangelo, Leonardo en Raphael. Het moet een beetje hebben gevoeld alsof alles al was gedaan en je door slaafs hun voorbeeld te volgen alleen maar een slap aftreksel van hun werk kon creëren.

Een aantal kunstenaars besloot dus om het roer enigszins om te gooien. Daar waar de Renaissancekunst streefde naar kunst die heel natuurlijk overkwam, benadrukte de Maniëristen juist het per definitie ONNATUURLIJKE karakter van kunst. Dus de schoonheid werd gezocht in het kunstmatige karakter.

Dit onnatuurlijke kon bereikt worden door:

  • vreemde gekronkelde onnatuurlijke lichaamshoudingen in veel richtingen wijzend (vooral sculptuur is om omheen te lopen!)

  • langgerekte lichamen (soort uit elkaar getrokken) (Parmigianinno)

  • Figura serpentinata werd vaak gebruikt, letterlijk een slangenachtige houding. vaak een soort spiraalvormige lichaamshouding

  • vreemdsoortig perspectief

  • niet meer op zoek naar de ‘juiste proporties’, afkeren van het harmonieuze en rationele

  • intellectuele (verstopte) symbolische betekenislagen (Bronzino)

  • theatrale belichting

  • theatraal onnatuurlijk of opzichtig kleurgebruik (Pontormo)

  • compositorisch op zoek naar spanning en instabiliteit i.p.v. harmonie en balans

  • in architectuur een slim spel van klassieke elementen in een onlogische samenhang.

  • vertekeningen (Holbeim, Ambassadors)

In Nederland was Pieter Brueghel in deze periode een gevierd schilder. Deze (wellicht in Breda geboren!) topschilder maakte werk dat helemaal buiten de Italiaanse stijl viel en toch zeer in de smaak viel bij de rijke verzamelaars destijds. Zijn on-Italiaanse werken tonen een liefde voor de mens in een eenvoudige, aardse, eerlijke setting (vaak het landelijke of boerenleven) zonder grandeur of bling. Door de horizon vaak erg hoog te plaatsen en een vogelvluchtperspectief te gebruiken was hij in staat om heel veel te ‘vertellen’. Veel van zijn werken worden bevolkt door tientallen figuren die in alledaagse handelingen ons nu nog veel leren over het leven in de Nederlanden in de 16e eeuw.

Ondanks zijn ogenschijnlijke afkeer van de Italiaanse stijl verbleef hij zelf wel een paar jaar in Italië. Van zijn reis waarin hij alle meesterwerken moet hebben gezien heeft hij alleen de landschappen meegenomen in zijn eigen werk.