Home » Bovenbouw » Kunstgeschiedenis » Middeleeuwen » Romaanse periode

Rond het jaar 1000 kende West-Europa een opleving. Oogsten waren goed en landbouwtechnieken verbeterden. Hierdoor steeg het aantal inwoners weer, werd er veel meer geproduceerd en kwam de handel weer op gang.

De cultuur werd gedomineerd door het bloeiende kloosterleven. Belangrijkste kloosterorde kwam uit Cluny (Frankrijk), en werd groot en politiek machtig. Het enorme netwerk van hun kloosters (versigingen in heel Europa) stimuleerde de uitwisseling van kennis en vakman- schap.

Wegen werden veiliger en er werd veel gereisd langs een aantal doorgaande routes die dwars door Europa liepen. Buiten de handelaren waren er veel pelgrims op de weg. De be- langrijkste pelgrimsroutes liepen naar Rome en naar Santiago de Compostella. Langs deze routes werden dus op veel plaatsen kerkjes gebouwd voor de stroom reizigers. Kerkjes werden prachtig versierd en ook de relikwieën van heiligen werden gespaard en bewaard in spectaculaire reliekschrijnen van kostbaar goud, vaak ingelegd met felgekleurde edelstenen.

Het was een tijd van een grote bouwwoede, opluchting dat de wereld niet was vergaan (in het jaar 1000) Ridders en kastelen, het begin van de kruistochten om Jerusalem te bevrijden van de Moslims (1095)en de start van de ‘herovering’ van Spanje op de Moslims.

 

Kenmerken Beeldhouwkunst

Weinig tot geen vrijstaande beelden; meestal reliëfs die onderdeel zijn van de architectuur.

Portalen en deuromlijstingen van kerken werden rijk versierd. Vaak met bogen vol mensfi- guren. Als hoofdonderwerp boven het hoofdportaal zit bijna altijd een getroonde Jezus ‘Majestas’ (tronend als heerser van de wereld), Soms Jezus als rechter op de dag des oor- deels.

In het interieur zijn vooral de kapitelen van de zuilen met prachtige reliëfs gedecoreerd. De meest spectaculaire en fantasievolle kapitelen die ooit zijn gemaakt zijn in de Romaanse periode gemaakt.

Beeldhouwwerk is verhalend, toont Bijbelverhalen. Vaak ook worden monsters en gedroch- ten uit de volksfantasie afgebeeld.

Schematische beeldtaal. Verhoudingen van het menselijk lichaam en anatomie zijn abso- luut niet natuurgetrouw weergegeven.

Afwezigheid van behoefte aan realistische ruimtesuggestie

Overbrengen van boodschap, zo duidelijk mogelijk, stond centraal (visuele duidelijkheid!)

Doel was de ongeletterde kerkbezoeker te onderwijzen.

Lijkt onbeholpen, primitief en star, maar heeft een enorme decoratieve rijkdom en sterke expressieve kracht.

Nu vaak in materiaalkleur (steen), vroeger net als de muurvlakken met felle kleuren beschil- derd.

Invloeden van klassieken (toga’s personen) Byzantijnse kunst (starre, strenge, symmetrie en geometrie van figuren) en Germaanse kunst (expressieve, bandvlechtwerk, fabeldieren en monsters)

 

Kenmerken Schilderkunst

bijna alle kenmerken van beeldhouwkunst gelden ook voor schilderkunst schematisch, verhalend en decoratief karakter.
Lineair van opzet!
Felle kleuren (nog goed bewaard gebleven)

Levendige en fantasievolle vrije verteltrant Decoratieve versieringen en vlakvullingen

 

Kenmerken Architectuur

Voornamelijk kerken bewaard gebleven

Romeinse basilica-vorm blijft grotendeels gehandhaafd; lang middenschip met twee zijbeu- ken gescheiden door zuilen.

Later komt er dwars op het hoofdschip een dwarsschip (transept) zodat het grondplan van een kerk op een kruis gaat lijken.

Voornamelijk dikke zware muren en relatief kleine vensters

Gebruik van een tongewelf (zwaar). Dit rust op de dikke muren en op zware peilers in de kerk. (brandveilig, akoestiek en ziet er vet Romeins uit!)

Gebruik van rondbogen (net als de Romeinen!)